Dit is een van de nieuwsberichten in de reeks over onderzoek naar Miles sensorkleding. Dit onderzoek laat zien hoe sensoren in kleding het Miles zorghorloge kunnen aanvullen op punten waar de pols niet de beste meetplek is.
GGZ-cliënten met suïciderisico krijgen vaak minder vrijheden, niet alleen door hun kwetsbaarheid zelf, maar ook doordat zorgverleners buiten de afdeling minder zicht hebben op wat er gebeurt. Zonder extra monitoring is zelfstandig naar buiten gaan vaak een te groot risico. Juist daardoor blijven vrijheid, herstel en deelname aan het gewone leven onnodig beperkt. In dat spanningsveld ligt de urgentie van Miles sensorkleding: een vervolgonderzoek binnen de reeks rond Miles, gericht op bovenkleding met geïntegreerde sensoren voor het signaleren van indicatoren die relevant zijn voor suïcidepreventie.
Het doel van dit onderzoek was om te bepalen hoe een netwerk van sensoren in kleding draadloos kan communiceren met het Miles zorghorloge, zodat extra lichaamsgegevens beschikbaar komen wanneer cliënten zelfstandig naar buiten gaan.
De doelgroep van het onderzoek bestaat uit ggz-cliënten in een instelling die zelfstandig naar buiten gaan en een verhoogd risico op suïcide hebben. Omdat deze doelgroep tijdens het project lastig direct te betrekken was, is ook gebruikgemaakt van de kennis en ervaring van ggz-zorgverleners.
Het onderzoek is uitgevoerd voor Stichting Bestaanskracht door een studententeam van de opleiding “Informatie Communicatie Technologie” van De Haagse Hogeschool. Daarbij zijn deskresearch, analyse van het pakket van eisen, ontwerp van de netwerkarchitectuur, ontwikkeling van een eerste werkend prototype en functionele tests samengebracht om te bepalen hoe sensoren in sensorkleding draadloos kunnen communiceren met Miles.
Om van onderzoek naar een bruikbare technische oplossing te komen, is eerst een programma van eisen opgesteld voor het sensornetwerk. Daarin is vastgelegd waar het sensornetwerk minimaal aan moest voldoen om in deze fase bruikbaar en toetsbaar te zijn. Die eisen gingen niet over de keuze van de lichaamssensoren zelf, maar vooral over de verbinding tussen sensoren en het Miles zorghorloge. Het programma van eisen maakte daarmee concreet wat het netwerk technisch moest kunnen, onder welke voorwaarden dat veilig genoeg moest gebeuren en welke onderdelen in deze fase nog buiten scope vielen. De eisen zijn geordend volgens de MoSCoW-methode: wat moest, wat belangrijk was, wat wenselijk was en wat nog kon wachten.
Concreet betekende dit bijvoorbeeld dat het sensornetwerk via een centrale ontvanger activeerbaar moest zijn, dat de data van de sensoren moest worden doorgestuurd, dat de dataoverdracht versleuteld moest zijn en dat de communicatie over een afstand van 1,5 meter betrouwbaar moest blijven werken. Ook was vastgelegd dat het netwerk ten minste acht sensoren moest kunnen omvatten en dat de uitval van één sensor de rest van het netwerk niet mocht ontregelen. Daarnaast zijn er eisen opgenomen over energieverbruik, compacte componenten en melding van defecte sensoren bij het opstarten. Het programma van eisen gaf daarmee richting aan het onderzoek, het ontwerp en de uiteindelijke tests van het systeem. Het onderzoek richtte zich vooral op de gegevensoverdracht tussen sensoren en Miles; de keuze van de uiteindelijke lichaamssensoren viel buiten scope. Na vergelijking van meerdere communicatieprotocollen is Bluetooth gekozen als meest geschikte basis voor de draadloze verbinding tussen sensoren en Miles.
Om te laten zien dat deze technische aanpak echt kan werken, is in dit project een technisch prototype gemaakt. Dat is een eerste werkend voorbeeld. Daarmee is onderzocht of meerdere sensoren draadloos gegevens kunnen doorgeven aan één centrale ontvanger. Dit prototype bestond uit meerdere kleine sensormodules en bijbehorende software, plus een laptop met software die de gegevens ontving en verwerkte. De sensoren stuurden hun gegevens draadloos via Bluetooth door naar de laptop. Zo kon worden nagegaan of de basis van het systeem werkt: meerdere sensoren die tegelijk gegevens versturen naar één centraal punt.
De resultaten waren bemoedigend. Het netwerk kon worden gestart, de gegevens kwamen binnen, de verbinding werkte over 1,5 meter en er konden acht sensoren tegelijk worden gekoppeld. Ook bleek dat elke sensor vaker dan één keer per minuut gegevens kon doorgeven. Daarmee laat deze proef zien dat gegevens van meerdere sensoren technisch kunnen worden doorgegeven aan één centrale ontvanger, als basis voor verdere koppeling met Miles. Tegelijk liet de proef ook zien dat verdere uitwerking nodig is. Belangrijke onderdelen, zoals versleuteling van de data, melding van kapotte sensoren en verdere verkleining van de techniek, zijn nog niet voldoende uitgewerkt. Het prototype laat dus vooral zien dat de basis werkt, maar ook dat nog vervolgstappen nodig zijn voordat dit bruikbaar is in de praktijk.
De aanbeveling is daarom om gericht door te ontwikkelen. De documenten adviseren om kleinere en beter integreerbare hardware te kiezen, relevante lichaamssensoren verder uit te werken, het energieverbruik beter te onderzoeken en vooral de beveiliging van de dataverbinding alsnog goed te regelen. Juist daarin ligt de volgende stap om van een eerste werkend prototype naar een bruikbare toepassing binnen Miles sensorkleding te komen. Wie daarover meer wil weten of wil meedenken over vervolgonderzoek, heeft met deze uitkomsten een concreet startpunt.
Wil je meer weten, meedenken of meedoen met vervolgonderzoek? Neem dan contact op via het contactformulier.
Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het Programma “Miles op maat voor suïcidepreventie van ggz-cliënten”. De volgende personen (organisaties) zijn hierbij betrokken: Chani Nuij (Vrije Universiteit Amsterdam), Jaël van Bentum (Universiteit Utrecht), Lizanne Schweren (Stichting 113 ZP), Martin van der Weg (Stichting Bestaanskracht / Stichting Miles HealthTech), Mirjam van Driel (Stichting 113 ZP), Nienke Kool (Parnassia Groep / Verpleegkundig platform), Remco de Winter (GGZ Rivierduinen, Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit van Maastricht), Saskia Mérelle (Stichting 113 ZP) en Wouter van Ballegooijen (Vrije Universiteit Amsterdam).
Deze opdracht is uitgevoerd door de volgende studenten: Stan Albeda Jelgersma, Joeri Lander en Twan Scheffers.